Ik kreeg allereerst een casemanager toegewezen. Die ging voor mij de grote hoeveelheid onderzoeken en behandelingen inplannen en in goede banen leiden. Ze legde mij heel vriendelijk uit dat de casemanager de constante factor in mijn proces was. Ik zou namelijk met heel veel disciplines, artsen en verzorgend personeel te maken gaan krijgen. Zonder een casemanager zou ik dat niet gaan redden, want het is oh zo handig om een vast aanspreekpunt te hebben. “U kunt altijd vragen naar sein 5283.” Dat woord sein kwam op mij overigens over als een relikwie uit de vorige eeuw.

Ik verbruikte één casemanager per week.

Uiteindelijk viel het met de ‘casemanager als constante factor’ allemaal ietsje tegen, want amper zes weken later belde ik al met mijn zesde casemanager in rij. Ik verbruikte er dus één per week. Het is goed om te weten dat alle andere zorgverleners dezelfde bleven, maar om allerlei redenen had ik steeds te maken met een andere manager die mijn case behandelde.

De eerste casemanager was van MDL (mevrouw 5283) en zij startte alle onderzoeken op. Ze kondigde al meteen aan dat we maar kort met elkaar van doen zouden hebben: “Ik geef u volgende week over aan de casemanager Oncologie, want daar hoort u vanaf nu natuurlijk thuis.”

Nummer twee meldde zich al snel aan. “Hallo, ik ben uw casemanager Oncologie.” We namen alles door en ik kreeg haar seinnummer 8863, voor als ik er niet meer uitkwam. Haar kaartje borg ik netjes op in de map, want je moest echt je best doen om alle briefjes en brochures goed te sorteren en te ordenen.

Nog dezelfde week had ik een vraag en probeerde ik mevrouw 8863 te bereiken. “Helaas, uw eigen casemanager heeft vandaag een vrije dag, u moet het even met mij doen. Ik ben een directe collega, hoor. Wij kennen elkaar niet, maar ik kan al uw gegevens zien. Waarmee kan ik u helpen?”

Gelukkig zou ik de week daarop weer mijn eigen Oncologische casemanager kunnen bereiken, maar dat pakte anders uit. Want tussendoor werd ik alweer gebeld. “Hallo, u spreekt met de vervanger van uw casemanager Oncologie.” Ik mocht begrijpen dat mevrouw 8863 vorige week eigenlijk helemaal niet een dagje vrij was. Uit het relaas leidde ik af dat ze minstens een paar weken uit de roulatie zou zijn.

Tsjonge, tsjonge, tsjonge, en nog zo jong.

“En dan ben ík nu haar vervanger voor de komende tijd. Maar dat is natuurlijk geen enkel probleem. Ik heb uw gegevens al gezien, hoor. Tsjonge, tsjonge, tsjonge, en nog zo jong. Maar dat gaat allemaal goed komen, hoor. Gelooft u mij. We zien het vaker hier natuurlijk en zeker mensen die zo jong zijn als u komen er echt goed bovenop, hoor. U kunt vanaf nu met al uw vragen bij mij terecht. Mocht ik mijn telefoon niet meteen oppakken, en dat zou wel eens kunnen, want ik zit natuurlijk niet de hele dag achter mijn bureau, nou dan is dat geen enkel probleem, hoor. Dan vraagt u gewoon naar sein 3271, hebben we elkaar zo te pakken. Nee, nee, niet aarzelen als u een vraag hebt, gewoon bellen. Doen hè? Ik denk dat u er wel uit gaat komen. Zo klinkt het wel in ieder geval, hoor. Nou dat is het dan voor vandaag. Ik wens u het allerbeste, hoor. Doei.”

Nog voor ik maar één vraag voor 3271 had kunnen bedenken, werd ik alweer gebeld. “Goedemiddag, ik word uw nieuwe casemanager. Nee, nee, nee, niet van Oncologie, u snapt dat ik van Chirurgie ben want vanwege de operatie straks gaat u nu natuurlijk over naar ons.”

En zo ging het door. Ik had net weer het nieuwe seinnummer 6499 genoteerd, toen er weer werd gebeld. “Dag mijnheer Keusters, daar ben ik weer. Nu begrijp ik toch dat u niet in het Elisabeth, maar in het Tweesteden Ziekenhuis wordt geopereerd. Tsja, daar gaan wij niet over, natuurlijk. Maar dat is geen enkel probleem, hoor, dan dragen we u gewoon over aan de case-manager Chirurgie van het Tweesteden. De precieze nummers krijgt u nog. Ze hebben daar net een nieuw systeem, weet u, en ik weet natuurlijk niet of de seinnummers die ik heb nog correct zijn. Ik weet eigenlijk ook niet of ze nog seinen gebruiken. Maar dat gaan we natuurlijk allemaal nog even voor u uitzoeken.”

nooduitgangBegrijp me goed, alle casemanagers waren heel vriendelijk en betrokken maar ergens heb je het idee dat er teveel schijven zijn. Het ontslaat je er in ieder geval niet van zelf heel goed te blijven nadenken en opletten, maar dat bleek later pas.

Fragment uit “Nooduitgang, een bijzonder verhaal over endeldarmkanker” door Harrie Keusters