Nine-eleven in Brooklyn

Onze Airbnb hosts Silvano en Craigh leven al twintig jaar in Brooklyn. Ze geven ons iedere dag de beste adviezen over musea, bussen en metro, restaurants en bars. En niet te vergeten over shopping, want ze zijn gek op mooie dingen. Silvano vooral op schoenen.

Het 9/11 memorial is prachtig gemaakt, vinden ze. Over het bijbehorende nieuwe museum kunnen ze ons nog niets vertellen. Ze zijn er nog niet geweest, en zullen dat voorlopig ook niet doen. Te erg en ze zijn nog steeds bedrukt als ze erover vertellen.

Op die dinsdag in 2001 laten ze hun hondje uit als een buurman zegt dat er een vliegtuig in het WTC is gevlogen. Lacherig lopen ze naar huis. Maar op het dak van hun woning zien ze de torens angstaanjagend branden, hemelsbreed amper twee kilometer aan de ander kant van de rivier.

Als de torens vallen dreunt de grond. Langzaam begint het in hun tuin stof te regenen, steeds meer. Ze moeten bij de buren naar de televisie kijken, omdat zij hun tv-signaal kregen van de één van de antennes boven op de torens.

De volgende ochtend gaan de winkels gewoon open en rijden er weer vrachtwagens door de straat. Het leven lijkt normaal, maar iedereen is thuis. Ook Silvano gaat weken niet naar zijn werk op Manhattan.

Ze herinneren zich nog dat ze een week lang in verwarring waren, praatten over wat er gebeurd was en hoe het nu verder moest. In de tuin tussen het stof was een enveloppe gedwarreld. Die was geadresseerd aan iemand in het WTC, met alleen een hoekje verbrand

Meeloper

Onze ketel had onderhoud nodig. Nu kennen we Karel goed, dus dat gebeurde in de avonduren. De onderdelen werden contant afgerekend en de arbeid met koffie, bier, wijn en borrelhapjes.

Na de koffie togen Karel en ik naar de ketel en hij begon kordaat de onderdelen één voor één te verwijderen. Die mocht ik dan aanpakken en op de tafel leggen. De mantel, de condensopvangbak en hier, dat is de ventilator en voorzichtig, daar hoort dit zwarte knopje bij. Ik was een echte meeloper, zoals dat in vaktermen heet en ik mocht hem ook bijlichten in de donkere hoekjes.

Ik had nog nooit een ketel van binnen gezien en nu Karel de zaak had ontmanteld, leek het helemaal niet op een ketel. Er restte nog slechts een achterwand met wat buizen. Hij legde me geduldig de werking van de verschillende onderdelen uit, en ik vond het eigenlijk een juweeltje, dat daar zomaar in onze bijkeuken hing.

Hoe lang het geleden was dat ie was gereinigd? “Eh, drie jaar?” Hij kon wel zien dat ze toen niet alles uit elkaar hadden gehaald, want kijk eens wat een stof hier en wat een rotzooi daar. En ik kreeg verhalen van servicemonteurs die de kap eraf haalden, een sigaretje gingen roken en de zaak weer sloten. “Mevrouwtje, hij is weer picobello in orde!”

Er gingen nog een nieuwe brander en een nieuwe  ionisatie-pen in. Want ik kon toch zeker zelf ook wel zien dat die niet meer helemaal goed waren. En inderdaad, de pen was wit uitgeslagen en volgens mij zelfs een beetje krom.

De ketel werd gesloten en ik moest alle onderdelen weer één voor één aangeven, nu in de omgekeerde volgorde. Ik gaf Karel de ventilator en hij vroeg naar het zwarte knopje. “Welk zwart knopje?”, antwoordde ik. En zonder op te kijken zei hij “Ha, ha”’. Mijn meelopershumor was zijn dagelijkse kost.

Achteraan lopen

Het was bijna emotioneel om startnummer 960 uit de enveloppe te halen. Drie jaar geleden had ik voor het laatst de Tilburg Ten Miles gelopen. En nu – een herseninfarct en kanker voorbij – mocht en kon ik weer.

In tegenstelling tot al die andere keren, stond ik niet een uur vantevoren in het startvak en zou ik niet gaan proberen om onder de 1 uur 20 minuten te lopen. Vandaag deed de tijd er niet toe. Vandaag ging ik genieten.

Relaxed kwam ik pas een kwartiertje voor tijd bij het nieuwe startgebied. Het was een chaos, ik kon geen startvak vinden en had geen idee waar ik ergens stond. Achteraan bleek, want ik hoorde dat de kopgroep al voorbij kilometer zeven was gesneld, eer ik van start kon. Geen paniek, genieten.

Het was warm, maar het ging heerlijk. De snelheidsbegrenzer stond op 6 minuten per kilometer, alle muziek op 168 beats per minuut. In trance ging het door de straten van Tilburg.

Ik had op het einde voldoende over, maar toen bleken de nadelen van achteraan lopen. Het werd steeds meer een slalom om stilstaande of wandelende lopers heen. De brug was geblokeerd door een ziekenwagen en een straat verder werden we omgeleid langs een andere ambulance.

In mijn straat keek men elkaar aan: al die sirene’s en Harrie nog niet geweest? Hij zou toch niet…? Even later kwam ik zwaaiend en high-fivend voorbij. Ik zag de opluchting in de ogen.

Achteraan starten is niet relaxed. Volgend jaar sta ik weer lekker ontspannen vooraan.

Pizzeria La Cleyva

De inrichting van Pizzeria La Cleyva in Valpelline is net zo rommelig als het uithangbord en de hele tent is fel TL-verlicht. Maar het eten is er voortreffelijk. Hier eten de italianen hun primi en secundi, en de meeste toeristen een pizza.
De tent wordt gerund door man en vrouw, veertigers. Zij is zwaar geblondeerd en heeft de broek aan, waarmee haar licht uitdijende lijf strak is ingesnoerd. Hij sloft rond met de drankjes, haalt de gerechten uit de keuken en ruimt de borden af.  Zij neemt de bestellingen op, rekent af, geeft achter de keukendeur een snauw aan de kok en compenseert schijnbaar achteloos haar echtgenoot. Een wonderlijke combinatie.
Het mooiste moment is als hij met de borden uit de keuken komt en een gokje waagt welke tafel dit zou hebben besteld. Meestal verkeerd in​geschat. Maar de gasten lossen dat onderling op, zodat iedereen het zijne krijgt.
We eten er voortreffelijk: ravioli, gegrilde groente, mosselen, zalm.  Zij zwiert in het voorbijgaan nog een karafje wijn op onze tafel. Al​s hij ons mes is vergeten, krijgen we die van haar, terwijl hij met een vork aankomt zetten. Ze zucht er niet eens meer van, ze is het gewend.
We vragen de rekening en zij zet ons twee ijskoude glaasjes Limoncello van het huis voor. We hebben intens genoten van dit etentje en de 40 euro is geen cent teveel. We dienen uiteraard contant te betalen.
Hij sjokt weer de keuken uit, ditmaal met twee pizza’s. Die worden gewoon ​voor onze neus neergezet. Prego!

Col de Galibier (en mijn vader)

Gisteren stond ik voor het eerst in mijn leven op de Col de Galibier, 2.645 meter hoog. Niet met de fiets bovengekomen, maar met onze eigen leasewagen. De dag was prachtig, het uitzicht fenomenaal, de tocht naar de top indrukwekkend.

Als tiener droomde ik van deze berg, die zo vaak ‘het dak van de Tour de France’ mocht zijn. Zelden of nooit zag ik een bergetappe, omdat we tweede helft juli altijd in Oostenrijk op vakantie waren. Daar werd de tour niet uitgezonden en ik moest het doen met enkele foto’s in de Telegraaf van twee dagen oud.

Mijn vader hield ook van bergen rijden, met de auto. Heb ik nog het excuus dat ik niet van fietsen houd, hij heeft er nooit de tijd voor gehad. We reden dan bergop en bergaf en ik zat achterin de auto mij voor te stellen dat we achter het peloton  zaten, of nog liever achter de kopgroep.

Als we een enkele fietser passeerde die in de ogen van mijn vader goed bezig was, dan nam hij op de meter van de auto diens snelheid op. Vervolgens gingen we naast hem rijden en moesten wij achterin de beste man het aantal kilometers per uur toeroepen. “Fünf-und- Vierzig!” Ze staken dan altijd hun hand op, om vervolgens van mijn vader een dot uitlaatgas in het gezicht te krijgen als wij weer optrokken.

Maar ja, Oostenrijk, dat waren toch niet de echte cols. Na enkele kilometers omhoog, ging het tot mijn teleurstelling direct weer omlaag. Er stonden nooit de namen van Zoetemelk en Kuiper op het wegdek, er lag nooit een dikke witte streep boven op de berg. Ik moest het doen met de Telegraaf en mijn verbeelding.

Op de Col de Galibier hoefde ik gisteren geen enkele renner de snelheid door te geven. Ze rijden allemaal naar boven, behangen met GPS en GoPro. Ik ben voorzichtig en ruim om alle moedige fietsers heen gereden. Maar boven bij de dikke witte streep heb ik wel even heel erg aan mijn vader gedacht.