Nog een wereld te winnen voor 3D-printing

3D-printen is hot. Maar als we door de hype heen kijken, hoe gaan de 3D-printers de komende jaren ons leven echt veranderen? Onlangs kreeg ik op de TU Delft een rondleiding van professor Jo Geraedts in zijn 3D- en robotlab. Hoever staan we af van de definitieve doorbraak?

Jo_Geraedts_-_zebra
Prof. dr. ir. Jo Geraedts

Geraedts verwacht om te beginnen niet dat we over tien jaar allemaal een 3D-printer in huis hebben. “Die staat dan waarschijnlijk wel bij de Gamma of Hubo. 3D-printen is geen zaak voor thuis voorlopig. Op dit moment zijn er al 40 verschillende technologieën in de wereld en dat aantal is nog groeiende. Je kunt dus eerder verwachten dat er service centers zijn die op meerdere manieren kunnen printen. En dat de volgende dag thuisbezorgen. Zoiets.” De echte doorbraak aan de gebruikerszijde verwacht hij als er nieuwe software op de markt komt die het driedimensionaal ontwerpen en modelleren op een uiterst gebruikersvriendelijke wijze de huiskamer inbrengt. Vele bedrijven werken hier aan, maar je weet nooit of de echte doorbraak komt van een gevestigde partij zoals AutoDesk of van een nog onbekende start-up.

In zijn lab wordt heel veel onderzoek gedaan met diverse types printers en – vooral – materialen. Onderzoek naar 3d-printen is vooral materiaalonderzoek, heel veel materiaalonderzoek, leer ik. En niet alleen de eigenschappen van het materiaal zelf tellen, ook bijvoorbeeld de richting en de snelheid van de printkop heeft gevolgen voor de kwaliteit van het geprinte product. Zoals stijfheid, sterkte, hardheid. Daar moet je allemaal rekening mee houden, bijvoorbeeld bij het printen van protheses. Hij laat me een prothese zien waarbij ieder stukje een andere hardheid heeft. Precies zoals je bij een goed zittende en goed functionerende menselijk hulpstuk zou willen zien.

“De echte waarde van 3D-printen is dat je producten kunt maken die je nooit eerder kon maken.”

Er is dus heel veel kennis van materialen nodig. En dan hebben ze het in Delft nog niet eens over ontwikkelingen binnen de biotech en of over het verschijnsel 4D-printen. Jo Geraedts maakt een interessante vergelijking met de kleurenprinter. “Bij een inkjetprinter heb je vier kleuren nodig om -wat is het -16 miljoen verschillende kleuren op papier te kunnen printen. Het ultieme doel voor een 3D-printer is dat je met maar een beperkt aantal basismaterialen, een schier oneindige hoeveelheid en variëteit aan producten zou kunnen maken. Materiaal dat geleidend is of juist niet, magnetisch, hard of zacht, oplosbaar, lichtdoorlatend, drukgevoelig en ga zo maar door. De echte waarde van 3D-printen is dat je producten kunt maken die je nooit eerder kon maken.”

delft io

Om dat allemaal mogelijk te maken, staat er ook een batterij aan opstellingen voor 3d-scannen. Bijvoorbeeld een scanner met 28 camera’s waar je binnenkort op de Dutch Design week je hand in kunt steken en die een uiterst nauwkeurig digitaal 3D-model levert. Of je de hand nu perfect stilhoudt of niet, daar corrigeren de algoritmes wel voor. Ook maakt hij gebruik van CT-scanners, want een prothese moet niet alleen passend zijn, maar ook aansluiten op bot- en weefselstructuur. Het is duidelijk dat met 3D-printen een nieuwe wereld is opengegaan voor materiaalonderzoek en -ontwikkeling.

Verderop lopen we tegen een perfecte replica aan van Rembrandt’s Joods Bruidje. Onderzoek dat wordt gedaan in samenwerking met Canon/Océ en musea. Het is even eng om met je hand over zo’n beroemd schilderij te gaan, maar het is fascinerend om de penseelstreken te voelen precies zoals Rembrandt ze heeft gezet. Voor een paar duizend euro heb je zo’n perfecte 3D-kopie. Ook hier moet nog heel veel materiaalonderzoek worden gedaan om het nog beter te maken. Met name de vernislaag is vaak het piece-de-resistance.

IMG_2109

We schudden even later de hand van een 3D-geprinte robothand die pneumatisch wordt gestuurd. Hoe harder we knijpen, des te harder duwt hij terug. Naast 3D-printen doet Geraedts ook onderzoek naar robots dus. Daar heeft hij een uitdagende stelling over. “Succesvolle toepassingen van robots zijn daar waar je een soort meester-gezel relatie kunt opbouwen. Je doet de robot wat voor, en die doet het na en gaat door voortdurend leren het steeds beter doen.” We moeten dus robots als collega’s gaan zien met een enorme winst voor de arbeidsproductiviteit. “Geheel autonome robots in een zorgtehuis werken niet.” Het is ook de reden dat men in Delft veel onderzoek doet naar juist die menselijke interactie met robots.

“Uiteindelijk is het slimmer om tientallen robots gezamenlijk een taak te laten uitvoeren, dan één grote complexe robot de gehele taak.”

Hoe ingewikkeld al die robots er ook uit mogen zien, in het hart zijn ze allemaal hetzelfde, allemaal dezelfde digitale componenten. We zien dus steeds meer open source software opkomen om die robots te bedienen en te programmeren. Geraedts trekt hier een vergelijking met de PC-revolutie. Dat doet hij ook nog in een ander opzicht, want hij gelooft in decentralisatie. Uiteindelijk is het slimmer om tientallen robots gezamenlijk een taak te laten uitvoeren, dan één grote complexe robot de gehele taak.

Ik mocht een middagje rondwandelen in een andere wereld, met een professor die daar een eigen prima kijk op heeft: de hype voorbij. De uiteindelijke waarde van 3D-printen zit maar ten dele in het terughalen van de productie uit China of het op maat maken van productie. Dat is belangrijk, maar de echte doorbraak zit vooral in nieuwe materialen, die nieuwe designconcepten mogelijk maken en dus producten die we ons nu nog niet kunnen voorstellen. Het zit in gedecentraliseerde legers van robots, de nieuwe productieconcepten faciliteren die onze fantasie voorbij gaan. Het komt er allemaal aan, maar heeft nog heel wat investeringen en tijd nodig. Tijd van onderzoek en ontwikkeling.

Datasexueel

Ik zal maar met de deur in huis vallen, ook ik ben datasexueel. Mijn apps meten echt alles: waar ik ben geweest (Moves), of ik goed heb geslapen (UP), hoe hard ik heb gelopen (Runkeeper) en ga zo maar door. Mijn telefoon draait overuren om alles te registeren en haalt het einde van de dag niet zonder tussendoor te worden opgeladen.

Mijn vrouw krijgt sinds kort de vraag hoe het is om met een datasexueel getrouwd te zijn. Ze kan er prima mee leven, zolang de door mij gebruikte apparatuur niet te veel uitsteeksels heeft die haar in knusse momenten zouden kunnen beschadigen. In die zin is mijn nieuwe meet- en weetarmbandje Jawbone up3 niet direct een aanrader: de sluiting heeft scherpe randjes.

Is het erg om datasexueel te zijn? Aan de ene kant niet. Het is leuk om je gewicht te zien dalen, of om vast te stellen dat je langer en sneller kunt lopen. Ook gaan we ’s avonds soms nog een blokje om, zodat ik precies mijn stappendoel kan halen. Allemaal erg nuttig, lijkt me.

Aan de andere kant ben ik natuurlijk de gedroomde klant voor de Facebooks en Googles van deze wereld. Want natuurlijk log ik overal in met mijn social account, zodat het voor Mark Zuckerberg een fluitje van een cent is om mij een beetje in de gaten te houden. Zijn algoritmes doen mij vandaag aanbiedingen die passen bij een goed humeur, omdat ik vannacht goed heb geslapen.

Ik heb de marktwaarde van Google en Facebook eens gedeeld door het aantal actieve gebruikers. Per persoon hebben we in Nederland al zeker € 1000 voor die jongens bij elkaar geklikt. En ik als datasexueel ben zeker goed voor een paar duizend euro, want ik klik en swipe niet alleen. Nee, ik ben transparant in heel mijn doen en laten. Door nog meer wearables, nog meer internet-of-things gekoppelde koelkasten en straks zelfrijdende auto’s, jagen we de inkomsten van deze supernerds naar nooit eerder vertoonde en wat mij betreft onverantwoorde hoogtes.

Mijn UP-app vertelde mij vanochtend dus dat ik goed had geslapen. Bijna acht uur lang, waarvan maar liefst 2 uur 46 minuten REM-slaap. UP adviseerde mij daarom om iets creatiefs te gaan doen op deze dag. Vandaar deze column waar ik zeker niet rijk van word.

Maar Mark Zuckerberg wel, die wordt slapend rijk van zijn gedroomde datasexuele klanten.

IMG_2090

Afgelopen nacht. Heerlijk geslapen.

Maatpakken?

Burgemeester Aboutaleb deed afgelopen zondag bij Zomergasten de uitspraak dat we over een paar jaar 3D-gescand worden en ons maatpak vervolgens ter plekke wordt geprint. “Nee, ik vergis me niet, ik zei printen.” Op menig seminar hoor ik trendwatchers verklaren dat over vijf jaar drones de pakketjes bij ons thuisbezorgen. En dat we ons over tien jaar allemaal verplaatsen in zelfrijdende auto’s.

Schoolklas

En toch weet je bijna zeker dat het nooit precies zo zal uitpakken. Ten eerste worden we beperkt door onze lineaire – en vaak ook utopische – projecties van nieuwe technologische mogelijkheden. We plaatsen nieuwe technologie in het hedendaagse tijdbeeld. Ten tweede weten we nooit hoe de factor mens zijn invloed zal doen gelden. De veranderingen op systeemniveau zijn moeilijk te overzien. En dus is het nog maar de vraag of we over tien jaar onze auto’s allemaal zelf rijden.

Eén schoolklas zou voldoende moeten zijn om het verkeer in een hele stad plat te leggen.

Natuurlijk heeft Google nu al van die auto’s door Amerikaanse straten rijden, maar dat is één zelfrijdende auto op miljoenen gechauffeerde wagens. Maar hoe ziet een totaalsysteem van zelfrijdende auto’s eruit? Ieder kind zal snel doorhebben dat een zelfrijdende auto altijd vanzelf remt als het oversteekt. Omdat deze auto’s ook keurig afstand houden en op tijd voor elkaar stoppen, zou één schoolklas voldoende moeten zijn om het verkeer in een hele stad stil te leggen. Op systeemniveau zal dat er dus anders uit moeten gaan zien. Nog los van het feit dat tegen die tijd de maatschappij wellicht radicaal anders is ingericht.

Mensen kunnen lastig grote systeemveranderingen overzien. We hebben moeite om door disruptie en faseovergangen heen te kijken. Het is met die zelfrijdende auto’s een beetje alsof je met de wetten van de vloeistofdynamica de gasvormige fase wil beschrijven. Dat gaat niet. Soms heb je wetten van hogere thermodynamische orde nodig.

Post-kapitalisme

We zitten momenteel midden in wellicht de meest disruptieve overgang ooit: de overgang van lokaal geïnstalleerde technologie naar cloud. Een immense systeemverandering die moeilijk door het menselijk brein te vatten is. Ik lees de laatste weken veel over theorieën om deze verandering op systeemniveau te begrijpen en in kaart te brengen.

Paul Mason
Paul Mason

Een erg goed artikel stond vorige week in de Guardian: “The end of Capitalism has begun”. In dit artikel over het nieuwe boek van Paul Mason wordt gepoogd de systeemverandering uit te leggen als een overgang van het  kapitalistische systeem naar het post-kapitalisme tijdperk. In het kort komt het erop neer dat we met zijn alle krampachtig de vernieuwingen van global computing en big data in het ons bekende kapitalistische systeem willen persen. Dat gaat op den duur niet en er ontstaat een maatschappelijk en economisch kruitvat dat wacht op het aansteken van de lont. Dat zal pas de echte disruptie gaan veroorzaken waarbij producten, diensten en organisaties niet meer het dictaat van de markt of de organisatorische hiërarchie volgen.

De Griekse economie vertoont nu al de eerste kenmerken van het post-kapitalisme

In het artikel worden ook de eerste contouren van die nieuwe orde geschetst. Fascinerend. En passant werd ook nog beweerd werd dat de getroffen Griekse economie nu al de eerste kenmerken van deze post-kapitalistische deeleconomie vertoont. Met nieuwe parallelle betaalsystemen en verregaande vormen van sociaal delen, zoals auto’s, kinderopvang en zorg. Geheel in lijn met wat de belangrijkste assets van de post-kapitalistische economie lijken te zijn: vrije tijd, sociale netwerken en ‘free stuff’.

Maatpak

In die economie worden echt niet alle pakketjes met drones bij u thuis gebracht. Los van het feit dat met al die drones in de lucht er een fors veiligheidsissue ontstaat, omdat we nooit kunnen zien van wat pakketjes en wat bommen zijn. Maar belangrijker, in de post-kapitalistische maatschappij gaan we veel meer spullen hergebruiken en delen.

En ik durf ook te voorspellen dat we ook geen maatpakken meer nodig hebben: want hoorden die niet bij uitstek bij het kapitalistische tijdperk?

Dikke tong

De eerste les van dit verhaal is dat je nooit zonder te kijken een slok witte wijn moet nemen. Ik dacht eerst dat ik een stukje kurk in mijn mond had. Maar het was een wesp die meteen in mijn tong stak.

Marja reageerde kordaat met de Aspivenin, zo’n uitzuigapparaatje voor insectenbeten. Die hebben we de laatste jaren op bijna al onze lichaamsdelen uitgeprobeerd, maar mijn tong is zeker het pijnlijkste plekje tot nu toe. Maar de zwelling ging zo snel dat ik aan deze marteling niet ontkwam.

Door de telefoniste van de huisartsenpost werd ik op code geel gezet. Ik ‘mocht’ meteen komen, maar ‘mocht’ niet zelf rijden. Ze gebruiken daar het woord mogen in alle mogelijke interpretaties door elkaar. En dus ‘mocht’ Marja vijf minuten later met mij en met 80 kilometer per uur over de Tilburgse ringbanen scheuren.

De tong werd steeds dikker en heel vreemd: ik voelde mijn tanden en kiezen groeien. Blijkbaar werken die zenuwen in de tong zo dat als ze verder uit elkaar worden gedrukt, ze denken dat je tanden groter worden. Tot zover deze fysische beschouwing.

Met mijn gele indicatie ‘mocht’ ik meteen door naar de dienstdoende arts, die er gelukkig relaxed onder bleef. Ze legde me op de behandeltafel met een stuk ijs in mijn mond. Mijn tong was weliswaar heel erg dik, maar ik kon nog ademhalen, dus de paniek was niet zo nodig.

En als het erger werd? Dan gaf ze me een injectie Adrenaline. Adrenaline? Datzelfde spul dat ik ook bij ieder optreden door mijn lijf voel? Daar krijg ik dus niet alleen een scherpere tong van, maar dus ook een dunnere? Kijk, dat vond ik heel bijzonder.

Bij de volgende wespensteek ga ik gewoon optreden. Dat doe ik toch al volgens Marja, want zoals alle mannen speel ik overdreven toneel als mij wat overkomt. Alsof ik door een wesp word gestoken.

Autoverkoper speelt sax

Hans Dulfer was meer dan dertig jaar lang een succesvol autoverkoper, maar u kent hem wellicht beter als saxofonist. Hans was te gast in de podcast van Radio Kunststof terwijl wij in onze auto naar het zuiden zoefden. Het moet gezegd, het werd een uitermate praktische aflevering.

“Kijk,” zei Hans in plat Amsterdams “je moet altijd een bondje met je klant zien te sluiten. Dan zei ik tegen ze: die kokosmatten moet je niet hier in de garage kopen, die liggen bij de HEMA voor de helft van de prijs. Dan waren ze zo dankbaar dat ze niet moeilijk deden over de antiroestbehandeling van 400 gulden.”

Hans wilde niet spelen op de Uitmarkt. Dat moest gratis omdat het goed was voor zijn eigen promotie en het zoveel publiek trok naar Amsterdam. “Ik kom pas naar die Uitmarkt als de Bijenkorf en de HEMA ook alles voor niks buiten zetten. Dat trekt ook volk.” De interviewster zei dat ze dat logisch vond, maar was duidelijk overbluft door zoveel streetwise inzichten.

“Ik zwaai altijd op het podium.” Ook dat had hij in de garage geleerd toen een man eens tien auto’s tegelijk kwam kopen. Er was getwijfeld aan zijn kredietwaardigheid, maar de koper had gezegd: kom maar mee naar mijn bedrijf. “Liep hij daar rond en zwaaide naar iedereen. En iedereen zwaaide hartelijk terug. Dus ik zeg tegen mijn baas: dat zit wel goed. Bleek het de grootste oplichter te zijn. Ja dan leer je wel: je kunt gerust zwaaien, want iedereen zwaait altijd terug.” Zwaaien bleek bij optredens ook sfeerverhogend.

In de studio lagen oude LP-hoezen op tafel, hoorden we, waarop Hans stond afgebeeld in zijn autoverkoperskostuum. “Geen tijd om om te kleden.” Eigenlijk was hij ook niet eens getalenteerd: “mijn dochter heeft wel talent” en “ik ben sax gaan spelen omdat dat de meeste vrouwen trok.” En hij vertelde vol vuur hoe hij zich een weg had gebluft naar de verschillende podia.

Ik vond het dus logisch dat hij de hedendaagse juridische contracten voor zijn optredens verfoeide en hij helemaal een hekel had aan alle marketing die de hedendaagse artiest nodig had om ergens in beeld te komen. Hij draafde maar door en de presentatrice had moeite om er tussen te komen: “Hans vertel eens over die tournee ter ere van je 75ste verjaardag.”

“Tournee? Ik heb helemaal geen tournee! Ik doe gewoon mijn optredens dit jaar. Maar omdat ik 75 jaar werd heb ik dat dit jaar eens tournee genoemd en kijk, nu word ik in alle programma’s zoals bij jullie uitgenodigd. En anders zien jullie me niet.”

Autoverkoper lijkt mij nog steeds een prima vooropleiding voor artiest. Die hebben geen marketing nodig.

Campingpraat

“U ziet zo bruin, u bent hier al lang?”

“Bijna vier weken. Altijd vier weken, altijd in juni, ook toen ik nog werkte. We komen hier al sinds 2003. We staan altijd hieronder bij de rivier. Dat is de beste plek. Ik moet er niet aan denken om boven te staan. Hutje mutje. Kom je je tent uit: goedemorgen buurman. Niks voor mij. Hier bij de rivier is het beste. Hier staan ook meer mensen die er al zo lang komen. Je kent elkaar dan en dan hoor je nog eens wat. Prachtig is dat hier beneden. Oh jullie staan boven? Oh in een huisje. Ja dan heb je wel mooi uitzicht daar boven. Naar boven fietsen, dat vind ik mooi. Actief zijn op vakantie. Ik kan geen boek lezen, ik moet bezig zijn. Dan fiets ik naar boven of ik loop. Dan zeg ik tegen Hannie hier: dat doe ik dan toch maar. Er is daar ook een geitenpad, tussen die twee asfaltwegen. Weten maar weinig mensen, maar dat is het mooiste pad. Ja dat leer je wel kennen als je zolang hier komt. Ik ken alle paadjes. Je moet ook naar die marktjes gaan hier dat is leuk, vindt Hannie ook. Niet dan Han? Op al die marktjes komen dezelfde verkopers. Je moet er niet kopen want het is veel te duur, die spullen kun je bij ons voor de helft krijgen. Maar we lopen daar zo graag rond voor de sfeer. Doen we vaak, actief blijven he? Ze zeggen ook dat Avignon een mooi dorpje moet zijn. Of dat andere dorpje bij die Alp van het fietsen. Mont Ventoux, ja dat zeg ik. Vertel me niets over fietsen. Ik heb nu een e-bike en dan fiets ik de hele Ardèche langs. Dat is meer dan zestig kilometer, maar ik heb een extra batterij. Niet dat ik twee keer zo hard kan, haha, maar twee keer zo lang, haha. Zo mooi om actief te zijn. Of die hele rivier hier langs lopen. Die ziet er nu wel leuk uit, maar die kan binnen één uur veranderen in een monster. Net als een paar dagen geleden, met die regen. Dan staat het hieronder gewoon blank. En dan met alle buurmannen geulen graven om de caravan heen. Ik zeg dan tegen Hannie, ik vind dat het mooiste wat er is: ons fort verdedigen. En wat denk je, alles was nat en onze voortent kurkdroog.”

“En daarom zitten wij boven. Kunnen we eens een boek lezen.”

Greg Groet Niet

Iedere week loop ik een paar keer hard. Het liefst die ik dat in Moerenburg, een prachtig natuurgebied op slechts 200 meter van ons huis. Met prachtige kronkel- en bospaden, mooie stroompjes en doorkijkjes en een paar lange fietspaden.

Er rennen hier veel mensen en als je zo’n looptegenligger passeert, dan groeten we elkaar. Zo gaat dat tussen lopers.

Regelmatig loop ik op het lange rechte fietspad naar Oisterwijk en dan zie ik hem al van verre aankomen. Die atletische tred valt je meteen op. Meestal heeft hij ook fel fluorescerende kleding aan, hij houdt er een voorkeur voor de kleur geel op na.

Hij heeft ook altijd de nieuwste spullen, want hij runt een eigen hardloopzaak. Greg van Hest is oud-nederlands kampioen marathon en hij deed ook voor ons land mee aan de Olympische Spelen in Sydney. Hij heeft nog steeds het nationaal record op de halve marathon.

Ik ga wat rechter lopen, ik versnel de pas, want ik wil dat het er voor Greg goed uitziet en hij me herkent als medeloper. We naderen elkaar op deze prachtige ochtend in Moerenburg. Greg heeft het op zijn website overigens altijd over Dé Moerenburg.

Tien meter zijn we nog verwijderd. Ik steek mijn hand zo nonchalant mogelijk omhoog. “Hoi!” zeg ik. Greg stoomt onverstoorbaar door, zegt niets, kijkt strak vooruit. Hij traint voor de marathon in New York en wil daar een record voor senioren aanscherpen. Ik ben natuurlijk een verstorende factor voor dat hoger doel.

Hij is al snel ver achter me. Nee, Greg Groet niet.

The internet is NOT the answer

Andrew Keen

Drie jaar geleden was ik voor het eerst op The Next Web conferentie in Amsterdam. En oh, wat was ik onder de indruk. De disruptie spatte van de schermen af, bevlogen sprekers, nieuwe vergezichten, een bijpassende ambiance in de vorm van de Westergasfabriek, ja zelfs een echte Hollandse koe op het toneel.

Afgelopen donderdag en vrijdag mocht ik weer naar The Next Web Europa. Twee dagen inspiratie tanken, twee dagen materiaal verzamelen voor komende presentaties en voorstellingen. Twee dagen genieten.

Natuurlijk was ik op tijd, maar ik moest aansluiten in een 500 meter lange rij voor de ingang. En zo was ik te laat voor de eerste presentaties. Een kop koffie was niet te krijgen vanwege ook lange rijen voor de versgezette-koffie-stalletjes. Het was er veel en veel te druk.

De sponsors mochten ook allemaal een keer op één van de hoofdpodia obligate verhalen vertellen. Verder veel utopische internet-of-things, wearables en big data inzichten die iedereen al kent. Bij de start-ups was een jongen met een staartje die een app had waarmee je de muziek kon beïnvloeden in de kroeg waar je was. Had ook nog nagedacht over een verdienmodel voor kroegbazen.

Maar vooral was het een zelfgenoegzaam incrowd feestje van alleen maar witte mensen, met heel veel baarden en hoeden. 52% komt van buiten Nederland werd er gepocht, ik vond dat belachelijk weinig voor een Europese conferentie. Het sprekersprogramma van dag 1 was ronduit waardeloos, dag 2 werd gelukkig wat beter.

En op die tweede dag was er ineens één verhaal waar de rode zaal van uit zijn dak ging. “The internet is NOT the answer” van Andrew Keen, zonder sheets en met slechts een kop koffie in de hand op het podium. Met statements als “Big Data is the new Pollution” en “we need Regulation for Innovation” kreeg hij open doekjes. Hij pleitte voor een cultuuromslag dwars tegen het vigerende Silicon Valley geloof in, dat alleen maar zorgt voor een diepe kloof tussen have’s en have not’s. Ik was diep onder de indruk en sloot meteen aan in – natuurlijk weer – de rij voor zijn boek en een foto.

Ik verslind het boek en weet niet of ik in alles met hem eens ben, maar deze ene presentatie gaf mij voor minstens een jaar inspiratie. Ik herhaal: Andrew Keen. En ik moet er wat mee.

Pastor Jim

Zondagochtend in New York waren we al om acht uur in het enorme theater voor de Gospelmis. Grote schermen moesten ons opwarmen voor wat er komen ging, vandaag en de rest van de week: the regular services, studiebijeenkomsten, ontmoetingen voor alleenstaande ouders, gospeluitvoeringen, en natuurlijk werd het nieuwe boek van pastor Jim: “The Storm” uitgebreid aangeprezen.

De binnenkomst van de gelovigen was hartverwarmend. Men viel elkaar in de armen. Ook bijna iedereen begroette ons of gaf een hand, sommigen omhelsden.

Toen de muziek startte was het overweldigend. Er was een 200-koppig koor en vocalisten die bij the Voice direct naar de volgende ronde zouden gaan. Iedereen swingde en klapte mee, mensen raakten in trance. Dat alles een uur lang als opwarmertje voor pastor Jim.

“The Bible is probably the worst marketing ever” begon hij. Hij had dat in zijn boek nog eens goed uitgelegd. Daarin stond ook waarom we juist nu – in tijden van oorlog en ebola – standvastig moeten zijn. Hij kwam steeds verder op stoom en en passent daagde hij met een tranentrekker de gemeente uit om de collecte-emmers goed vol te storten.

De drie principes om de storm door te komen vormden de basis voor zijn boek: keep the joy, be carefull and share Jesus. Het was natuurlijk thuis allemaal nog na te lezen. Ook voor de mensen thuis bij de webcast, die het boek konden bestellen “via Amazon and all other major shops”. Hierbij keek pastor Jim indringend in de camera.

Hij denderde naar het hoogtepunt. Zij die extra steun nodig hadden mochten naar voren komen. Het koor schalde, Jim gaf ons allen de zegen en voorbij was het. Ineens.

In de hal vond zijn boek gretig aftrek. Best marketing ever.

Nine-eleven in Brooklyn

Onze Airbnb hosts Silvano en Craigh leven al twintig jaar in Brooklyn. Ze geven ons iedere dag de beste adviezen over musea, bussen en metro, restaurants en bars. En niet te vergeten over shopping, want ze zijn gek op mooie dingen. Silvano vooral op schoenen.

Het 9/11 memorial is prachtig gemaakt, vinden ze. Over het bijbehorende nieuwe museum kunnen ze ons nog niets vertellen. Ze zijn er nog niet geweest, en zullen dat voorlopig ook niet doen. Te erg en ze zijn nog steeds bedrukt als ze erover vertellen.

Op die dinsdag in 2001 laten ze hun hondje uit als een buurman zegt dat er een vliegtuig in het WTC is gevlogen. Lacherig lopen ze naar huis. Maar op het dak van hun woning zien ze de torens angstaanjagend branden, hemelsbreed amper twee kilometer aan de ander kant van de rivier.

Als de torens vallen dreunt de grond. Langzaam begint het in hun tuin stof te regenen, steeds meer. Ze moeten bij de buren naar de televisie kijken, omdat zij hun tv-signaal kregen van de één van de antennes boven op de torens.

De volgende ochtend gaan de winkels gewoon open en rijden er weer vrachtwagens door de straat. Het leven lijkt normaal, maar iedereen is thuis. Ook Silvano gaat weken niet naar zijn werk op Manhattan.

Ze herinneren zich nog dat ze een week lang in verwarring waren, praatten over wat er gebeurd was en hoe het nu verder moest. In de tuin tussen het stof was een enveloppe gedwarreld. Die was geadresseerd aan iemand in het WTC, met alleen een hoekje verbrand