Col de Galibier (en mijn vader)

Gisteren stond ik voor het eerst in mijn leven op de Col de Galibier, 2.645 meter hoog. Niet met de fiets bovengekomen, maar met onze eigen leasewagen. De dag was prachtig, het uitzicht fenomenaal, de tocht naar de top indrukwekkend.

Als tiener droomde ik van deze berg, die zo vaak ‘het dak van de Tour de France’ mocht zijn. Zelden of nooit zag ik een bergetappe, omdat we tweede helft juli altijd in Oostenrijk op vakantie waren. Daar werd de tour niet uitgezonden en ik moest het doen met enkele foto’s in de Telegraaf van twee dagen oud.

Mijn vader hield ook van bergen rijden, met de auto. Heb ik nog het excuus dat ik niet van fietsen houd, hij heeft er nooit de tijd voor gehad. We reden dan bergop en bergaf en ik zat achterin de auto mij voor te stellen dat we achter het peloton  zaten, of nog liever achter de kopgroep.

Als we een enkele fietser passeerde die in de ogen van mijn vader goed bezig was, dan nam hij op de meter van de auto diens snelheid op. Vervolgens gingen we naast hem rijden en moesten wij achterin de beste man het aantal kilometers per uur toeroepen. “Fünf-und- Vierzig!” Ze staken dan altijd hun hand op, om vervolgens van mijn vader een dot uitlaatgas in het gezicht te krijgen als wij weer optrokken.

Maar ja, Oostenrijk, dat waren toch niet de echte cols. Na enkele kilometers omhoog, ging het tot mijn teleurstelling direct weer omlaag. Er stonden nooit de namen van Zoetemelk en Kuiper op het wegdek, er lag nooit een dikke witte streep boven op de berg. Ik moest het doen met de Telegraaf en mijn verbeelding.

Op de Col de Galibier hoefde ik gisteren geen enkele renner de snelheid door te geven. Ze rijden allemaal naar boven, behangen met GPS en GoPro. Ik ben voorzichtig en ruim om alle moedige fietsers heen gereden. Maar boven bij de dikke witte streep heb ik wel even heel erg aan mijn vader gedacht.